Inspiratiebronnen

In het onderzoek van NEO Observatory is de werkelijkheid (empirie) het uitgangspunt. De basis van de conclusies is altijd gevalideerd door openbaar toegankelijke cijfers en deze conclusies worden altijd naast de theorie gelegd. De economische wetenschap is immers een gedragswetenschap waarbij wetmatigheden op hoofdlijnen zijn verankerd in de theorie, maar altijd empirisch getoetst moeten worden. In ons toegepast economisch onderzoek zijn deze hoofdlijnen daarom leidraad in analyses voor opdrachtgevers.

Theorie is bovendien uitgangspunt voor aannames in toekomstscenario’s. De waargenomen patronen in de werkelijkheid willen wij helder en eenvoudig uitleggen, waarbij de economische wetenschap zowel inspiratie biedt als toetssteen is.
Goede economische theorie heeft eenvoud. Voorbeelden van inspiratiebronnen uit de economie zijn:

  • Baumol over de voortdurend relatieve kostprijsstijging van diensten (cost disease);
  • Leontief ontwikkelde de input-outputanalyse, welke het effect van bestedingen (de multiplier) verklaart aan de hand van transacties tussen bedrijfstakken, leveranciers en afnemers;
  • Marshall over agglomeratievoordeel, dat de productiviteit- en groeiverschillen tussen steden en regio’s verklaart;
  • Coase/Williamson over transactiekosten die de ‘make or buy decision’ en de verdeling van bedrijven in een sector in kleine en grote bedrijven verklaren;
  • Schumpeter over creatieve destructie waarbij nieuwe technologie oude technologie verdringt;
  • Olson over institutionele economie en de remmende invloed van lobby’s en belangen op welvaart en welzijn;
  • Taleb over zwarte zwanen en antifragiliteit – systemen die voordeel hebben van stress; en
  • Rifkin over energietransitie met hulp van ICT en ‘zero marginal cost’ van de productie van duurzame energie, kennis en allerlei diensten die via het internet worden geleverd.